Verslag 15: Sardinië

In het laatste daglicht zien we nog net de hoge bergen van Sardinië aan de horizon. 4 uur later is het 1 uur ’s nachts en liggen we afgemeerd in de haven van Cagliari, hoofdstad van Sardinië. We zijn benieuwd wat dit ‘nieuwe eiland’ ons zal brengen.

De volgende dag proberen we in te klaren (we komen immers van buiten Europa) maar zelfs na enkele keren goed navragen kunnen we het douanekantoor niet te vinden. Met de bureaucratische perikelen van Tunesië nog vers in ons geheugen vinden we het wel best.

 

Cagliari heeft een aardig maar niet spectaculair historisch centrum met een ommuurde wijk en komt op ons weinig bedrijvig over, maar dat kan door het contrast met Tunesië komen. Na één dag hebben we de stad wel gezien en doen we per bus een uitstapje naar kunstenaarsdorp San Sperate. Het dorpsbestuur heeft hier een succesvolle marketingcampagne gevoerd om de vele en zeer gevarieerde muurschilderingen onder de aandacht van de toeristen te brengen. Een kilometer buiten het dorp heeft kunstenaar Fiorenzo Pilia een ‘Giardino Fantastico’ (fantasietuin) gecreëerd. Tussen de meer dan levensgrote papier-maché beelden krijgen we een privé rondleiding in het Italiaans van de bevlogen bejaarde kunstenaar: Alles draait om (in willekeurige volgorde én als we het goed begrepen hebben….) respect voor elkaar, de eeuwige cyclus van de natuur en de vrouw als oorsprong van alles. Als het aan deze lieve wijze man lag bestond er geen oorlog, geweld of discriminatie op de wereld.

 

Hier op Sardinië gaan we twee zeer welkome gasten ontvangen. Eerst komt vriend Hans H. en later Judiths zus Ellen. Met Hans hebben we een heerlijke sportieve zeiltocht langs de zuid- en oostkust. De wind is vrij hard (20 knopen met vlagen van 30), maar komt van land, dus de zee is vlak. We varen in dagtochten noordwaarts en brengen de nachten door achter ons anker in (nu nog) stille baaien. Inmiddels zijn we redelijk geoefend in het ankeren en hebben we genoeg vertrouwen in onze ‘Rocna’ van 33 kilo in combinatie met tientallen meters zware ketting om ook met harde wind te ankeren. Judith staat op het voordek en kijkt uit naar een plek waar geen rotsen liggen en geen zeegras groeit, waarna Geert de boot stillegt en Judith een kettinglengte van 3 x de waterdiepte laat zakken. We wachten even tot het anker ‘pakt’ en de boot in de wind ligt en dan laat Judith nog eens 10 tot 15 meter ketting zakken, waarna we met de motor volop in de achteruit de houdkracht testen. Als de boot goed op z’n plek blijft liggen gaat het elektronisch anker-alarm aan, de motor uit en is het stil.

We doen korte wandelingen op en achter het strand en Hans en Judith doen natuurlijk hun ‘verplichte’ fitness-oefeningen. Na drie dagen meren we af in het charmante vissersdorp Arbatax, waar Hans ons in een goed visrestaurant trakteert op een dito diner.

De laatste dag van Hans’ verblijf huren we een auto en rijden we door het Sardijnse berglandschap. De wegen zijn vrijwel leeg; in een tocht van een paar uur tellen we slechts enkele tegenliggers. We zien weinig landbouwactiviteiten. Veel bomen en struiken staan in bloei. In onze reisgids lazen we over bouwwerken uit de bronstijd (1000 jaar voor Chr.)  zogenaamde Nuraghi’s, waarvan we er twee bezoeken. Deze torens zijn zo’n 15 meter hoog, hebben binnenin enkele etages, zijn rond en zonder cement gebouwd van gestapelde stenen. Een trotse gids vertelt ons dat ze waarschijnlijk dienden ter verdediging tegen andere lokale boeren en dat Sardinië relatief weinig invasies van buitenaf heeft gehad. De Romeinen bijvoorbeeld vonden het eiland niet interessant en gebruikten het slechts als ballingsoord voor (politieke) gevangen. Aan het eind van de dag nemen we afscheid van Hans  en zetten hem af bij een pension nabij het vliegveld.


We varen nog één dagtocht naar het noorden en meren af in La Caletta; een prima beschutte haven waar we Avalon 3 weken achter kunnen laten omdat we weer even naar Nederland gaan.
In Nederland zijn we bij Judith’s moeder en passen we op het huis en de paarden van Judiths jongste zus in Wijchen. Het is prachtig lenteweer en we sporten, wandelen, fietsen en bezoeken vrienden.
Half mei vliegen we met Ellen, Judiths oudste zus, terug naar La Caletta. Inmiddels is het weer echt zomers: strakblauwe lucht en 25-30 graden. De zeewatertemperatuur is in ondiepe baaien al ruim boven de 20 graden. Helaas is er weinig tot geen wind. Het gebied waar we nu varen draagt de naam ‘Costa Smeralda’ (smaragdkust) en is beroemd vanwege de vele prachtige eilanden, baaien en strandjes én de miljardairs die hier sinds de jaren ’70 hun jachten en villa’s hebben.

Eén van de mooiste plekken is bij het eiland Tavolara. Dit hoge kalkstenen eiland van 6 vierkante kilometer kent 11 (!) bewoners en staat bekend als het kleinste koninkrijk ter wereld. Het verhaal gaat dat koning Karel Albert van Sardinië in 1836 de enige bewoner, schaapherder Giuseppe Bertoleoni, ontmoet en deze zich voorstelde als Koning van Tavolara. "Dan zijn we collega's", zou Karel Albert gezegd hebben, en dat werd gezien als een erkenning van deze ministaat. Tavolara heeft twee restaurants, waarvan er één open is en dat blijkt een top-restaurant te zijn. Betere vis en salade Caprese hebben we nooit gegeten. Met goed gevulde magen wandelen we tussen de bloeiende struiken over de zanderige uitloper van deze steile rots en stuiten op de begraafplaats, waar de complete koninklijke familie van Tavolara begraven ligt.

Omdat Ellen over twee dagen vanaf de luchthaven bij Olbia terugvliegt, nemen we een ligplaats in deze ‘hoofdstad van Costa Smeralda’. We huren een auto en bezoeken o.a. de Basiliek van de Heilige Drievuldigheid van Saccargia uit de 14e eeuw. ’s Avonds trakteert Ellen ons in Olbia op een typisch Sardijns diner; licht gezuurde vis en groente samen met gefrituurde inktvis: heerlijk. De volgende dag zetten we Ellen om 6 uur ’s ochtend af bij het vliegveld. Het was een heerlijke en relaxte week met veel zwem- en kanotochtjes in de mooiste baaien van Sardinië.

Helaas hadden we in deze periode ook een kleine technische tegenvaller. De boordaccu’s én de startaccu blijken na slechts anderhalf jaar al aan het eind van hun levensduur te zijn. In Olbia weten we drie nieuwe te bemachtigen die dezelfde dag nog bezorgd worden. Na een paar uur klussen en een (bijna) gebroken rug vanwege het tillen van deze krengen (ik schat ze op 40 kilo per stuk) doet alles het weer en sluiten we de 2 extra zonnepanelen aan. Hopelijk gaan deze accu’s veel langer mee! We zijn klaar om de Straat van Bonifacio over te steken en Sardinië in te ruilen voor Corsica, waarover volgende keer meer.

 

 

Cagliari, hoofdstad van Sardinië 

murales in San Sperate

Ankeren en wandelen in stille baaien aan de oostkust van Sardinië

Nuraghi van Arrubiu

koninkrijk Tavolare aan de Costa Smeralda